• Home
  • /
  • Pothok en Buurtschap Dwingeloo

Pothok en Buurtschap Dwingeloo

Info over:

POTHOK
BUURTSCHAP DWINGELOO

 
Het Pothok:

Het pothokke staat nu bijna altijd bij boerderijen die al lang niet meer daadwerkelijk in gebruik zijn als boerderij. Wie let er in het voorbijgaan op ? Wie hecht nu nog belang aan dit kleine huisje ? Toch hoorde het pothokke honderden jaren bij het boerenleven, want in dat kleine gebouwtje werd brood gebakken, melk gekarnd, de was opgekookt, varkensvoer gekookt, het vlees van het geslachte varken verwerkt, geweckt, in de zomer huisde het boerengezin in het pothokke. Een kleine, maar onmisbare ruimte voor het leven op de boerderij in vroeger tijden. Niet alleen nuttig, maar ook aangenaam. In de avonduren trof de jeugd elkaar in het stookhok, er werd in gevrijd, jenever gestookt, geboomd, tabak gedroogd.
De voormalige werkgroep ‘Pothokken in de gemeente Diever’, bestaande uit Dieverse Dorpskrachten, waaronder wijlen Jan Hessels, is vanaf 1999 bezig geweest met het lokaliseren, inventariseren, bestuderen en fotograferen van alle pothokken in de gemeente Diever en zijn de afmetingen, het bouwjaar, de opdrachtgever van de bouw, de bouwaannemer, de aard van de gebruikte materialen, de huidige staat van onderhoud en de huidige bestemming vastgelegd. daarbij zijn de nijvere verzamelaars van gegevens wel vergeten de verhalen bij de pothokken vast te leggen. Het geheel is in 2007 als een losbladig boekwerk ’Pothokken in de gemeente Diever’ uitgegeven. Gelukkig heeft de redactie van het Deevers Archief wel het verhaal uit de mond van wijlen Jan Hessels opgeschreven en dit bericht verwerkt.
In de gemeente Diever stond vroeger bij de meeste boerderijen een pothokke, bij de meeste boerderijen staat gelukkig nog steeds een pothokke. Er waren kleine en grote pothokken. Een klein pothokke was meestal alleen bestemd voor het koken van de pot met varkensvoer. Dat was een grote pot waarin, afhankelijk van het aantal te voeren varkens, enkele keren per week aardappels werden gekookt. In de kookpot ging als regel dree maande eapels, ongeveer vijfenzeventig kilo aardappelen. Als de aardappels gaar waren, dan werden ze met een aparte klauw fijn gestampt.
Het vuur onder de pot werd meestal gestookt van takkenbossen of oude verrotte afrasteringspalen. De takkenbossen stonden in een bult bij de boerderij. Ze stonden in weer en wind. Bij flinke regen werden de takkenbossen behoorlijk nat, wat bij het opstoken veel rookontwikkeling gaf.
Bij de familie Hessels aan de Kruistraat stond een wat groter pothokke, dit pothokke bestaat staat steeds. In het pothokke stond ook een kachel, waarop drie pannen konden worden geplaatst. In de winter werd in de huiskamer gekookt. In de zomermaanden was het in de huiskamer te warm en werd in het pothokke gekookt. Dit was een manier om de warmte van het koken buiten het huis te houden. Ook stond in het pothokke de wasmachine. Dit was een wasmachine, die met de hand moest worden gedraaid. Wijlen Jan Hessels moest ook wel eens draaien. Hij moest dan tweehonderenvijftig slagen draaien. Hij was de tel nog wel eens kwijt, maar begon dan niet opnieuw.
De kachel in het pothokke werd in de regel gestookt met hout en turf of zudden. Grotere pothokken bestonden uit twee gedeelten. In één gedeelte werd in de zomer gegeten. Het was voor de huisvrouw wel gemakkelijk, want de kachel, waarop het eten werd gekookt, was dan dichtbij. Je hoefde daarnaast niet zo ver te lopen met de pannen. Het eten vond plaats naast de pot waar het varkensvoer werd gekookt. Je zorgde dan wel dat je snel at, want het stikte in het pothokke van de vliegen.
In het  pothokke werd veel water gebruikt bij het koken van varkensvoer, bij het slachten, bij het wecken en bij het wassen. Daarom stond het pothokke aan de kant van de pompestroate en kon men via de zijdeur van de boerderij zo het pothokke in lopen.
Vanwege het brandgevaar was het pothokke altijd bedekt met dakpannen, bij voorkeur met cementpannen, omdat deze het meest afdichtend gelegd konden worden. Altijd met dakpannen ? Niet altijd, want in Wapse staat een pothokke mit’n reet’n doake.
Het pothokke heeft in de loop van jaren zijn oude functies verloren. Sommige pothokken zijn helaas afgebroken, maar pothokken kregen vooral een nieuwe bestemming. Uit de inventarisatie van de pothokken in de gemeente Diever blijkt dat het gebruik van het pothokke verrassend veelzijdig is. Veel pothokken zijn helaas in gebruik als fantasieloos baarghokke, maar gelukkig ook veel als fietsenhok, voorraadruimte, kippenhok, konijnenhok, paardenbox, keuken, galerietje, schildersatelier, expositieruimtetje, cv-ketelhuisje, tuinhuisje, garage, strijkkamertje, zomerverblijf, trainingsruimte, washok, kantoor en badkamer.
Dat deze bestemmingen tot voorbeeld moge zijn van de eigenaren, die hun pothokke gebruiken als baarghokke. Ook het kleinste pothokke in de gemeente Diever, met een binnenoppervlak van slecht 3,6 m2, is in gebruik als baarghokke, het verdient een beter lot. In het verleden was op Zorgvlied een pothokke in gebruik als werkruimte van een fietsenmaker.
Elders zijn pothokken in gebruik als winkeltje en als sauna en wie weet wat voor bestemmingen nog meer. Kortom het pothokke is voor veel doeleinden geschikt. Uit de inventarisatie bleek ook dat bij een oude boerderij in 2004 een pothokke is ingestort en is afgebroken. Het is zeker de moeite waard dat voor onze streek zo karakteristieke gebouwtje te herbouwen

 

 

 

 

 

 
Buurtschap Dwingeloo:
Dwingeloo is de hoofdplaats van de voormalige en gelijknamige zuidwest-Drentse gemeente, die verder bestond uit de buurschappen Dieverbrug, Eemster, Geeuwenbrug, Leggeloo, Lhee, Lheebroek en Westeinde. Bij de gemeentelijke herindeling in 1997 werd de gemeente Dwingeloo deel van de gemeente Westerveld. Dwingeloo is gelegen halverwege Assen en Meppel aan de oostzijde van de Drentse Hoofdvaart. Ten westen ligt de Brug-es, ten zuiden de Dwingeler-es en het Nationaal Park ‘Dwingelderveld’. Dit natuurgebied bestaat uit de bekende Dwingeler Heide en de boswachterij Dwingeloo. Ten noorden loopt de Dwingeler Stroom die vroeger Aa werd genoemd. Sinds de verveningen aan het begin van de 17e eeuw van het veengebied Smilde heet de beek stroomafwaarts – vanaf het Koningsschut – ook wel Oude Vaart. Aan de westzijde liggen de huisplaatsen van de havezaten Batinge en Entinge. Havezate Westrup staat aan de noordzijde van het dorp.

(kaart uit 1865)

Ongeveer anderhalve kilometer ten zuidwesten van Dwingeloo bevindt zich de havezate Oldengaerde. Beide landhuizen zijn particulier bezit en worden door de eigenaar bewoond. Tot het oorspronkelijke dorpsgebied behoort ook het Westeinde waarmee Dwingeloo samen een marke vormt. De historie van Dwingeloo begint in het jaar 1181. Een akte uit archief van het klooster Ruinen/Dickninge beschrijft de aankoop van een erf met een tiende in Twingelo. Verschillende spellingen van de dorpsnaam zijn daarna in de archieven te vinden: Dwingelo (1206), Thuingelo (1207), Dwinghelo (1368), Dwingelo (1370), Dwingeloe (1398), Dvynglo (1454), Dwyngheloe (1487), Dwingel (1557), Duingelo (1582). Bij de verklaring van de naam wordt gedacht aan het oud-Saksisch thingan = bedwingen, en Lauha/loo = bos of open plek in het bos. De betekenis luidt dan: bedwing het bos. Voor het eerste deel is nog een tweede optie: thwangi = riem; het gaat dan om een smalle strook land, begroeid met bos.
Dat Dwingeloo al ouder is dan de eerste schriftelijke vermelding blijkt uit het aantal schuldmudden die de inwoners van de Drentse dorpen moesten betalen. Deze belasting werd ingesteld halverwege de tiende eeuw door de bisschop van Utrecht, die in 944 de woeste gronden van dit gewest in eigendom gekregen had. Voor het gebruik van deze gronden moesten de Drenten per boerderij één mud graan betalen. Dwingeloo stond op de lijst, waarvan een exemplaar uit ca. 1300 bewaard is gebleven, voor vijf mudden. Dit is aanmerkelijk minder dan de elf die Lhee betalen moest.

De late middeleeuwen

Dwingeloo in 1636.

Rond 1200 is Dwingeloo gegroeid naar 25 erven. Dit is althans gebaseerd op het aantal waardelen dat de marke Dwingeloo-Westeinde in latere eeuwen kende. Deskundigen geven het eind van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw aan als de periode waarin deze theoretische verdeling van de woeste gronden plaats vond. Op een gegeven moment waren in de Drentse dorpen er zoveel nieuwe boeren bijgekomen dat de woeste gronden gingen verzanden door overbegrazing. Juist deze schrale gebieden waren goed te gebruiken voor het weiden van schapen en koeien die de noodzakelijke mest produceerden voor het vruchtbaar houden van de akkers op de essen. Er werd daarom afgesproken dat ieder boerenerf in een dorp 1 aandeel kreeg in het gebruik van de woeste gronden. Dit aandeel bestond uit een maximaal aantal schapen of koeien die men daar kon laten weiden.
Het belangrijker worden van Dwingeloo ten opzichte van Lhee heeft waarschijnlijk te maken met de aanwezigheid van een zogenaamde hof. Dit adellijke bezit was het centrum van een groot landbouwbedrijf waar de horigen van de omliggende kleinere boerderijen als Batinge, Entinge, Smedinge en de Oosterhof hun landbouwopbrengsten moesten inleveren. In 1353 werd de Johan van de Goer, later genaamd De Vos van Steenwijk, eigenaar van dit hof en bijbehorende boerderijen door met de erfdochter Hadewich van Ansen te huwen (zie bezienswaardigheden: Batinge). De aanwezigheid van een adellijke familie in Dwingeloo kan misschien ook verklaren waarom de kerk van Lhee werd overgeplaatst naar Dwingeloo.
Tot in de zestiende eeuw bestond het dorp hoofdzakelijk uit boerderijen en huizen aan de noord- en oostzijde langs de brink en langs de weg naar het Westeinde. De zuid- en de westzijde van de brink zijn pas in de late zestiende en zeventiende eeuw bebouwd geraakt. Deze situatie is tot de jaren ’50 van de vorige eeuw zo gebleven. Dat de brink het centrale punt is voor de gehele gemeenschap blijkt wel het plaatselijke spraakgebruik: ‘Wij gaot en de Brink’, wat betekent: ‘Wij gaan naar Dwingeloo’. Tijdens de zomermaanden worden op de woensdagavonden de Brinkavonden gehouden. Op de tweede maandag van mei en oktober is de brink het toneel van de in Drenthe bekend staande Dwingeler markt met kermis.

Sint Anthoniusgilde

Elk jaar op 17 januari, Sint Anthoniusdag, komt in Hotel Wesseling het Sint Anthoniusgilde bijeen. Dit broederschap was oorspronkelijk een liefdadigheidsinstelling, maar is tegenwoordig ook hulpvaardig bij sociaal-maatschappelijke projecten. Het aantal broeders bedraagt twaalf, zij behoren in de voormalige gemeente Dwingeloo woonachtig te zijn. Bij een brand in 1632 gingen de toen bestaande papieren verloren. Het nieuwe gildeboek is opgesteld op 20 januari 1633. Hierin staat een opsomming van eigendommen, aflosbare en niet aflosbare pachten, alsmede de notulen en de opgaven van inkomsten en uitgaven.
Het innen van de pachten gebeurde vroeger in natura; heden ten dage draagt de eigenaar van het vroegere schultehuis nog zestien pakjes roomboter af. De eigenaar van de huisplaats van Batinge betaald een rente van f 15.00 (ongeveer € 7,00), een bedrag dat in 1633 werd ingesteld door de toenmalige heer van Batinge, Rutger van den Boetzelaer. De belangrijkste taak van het gilde was en is het verstrekken van financiële en/of materiele hulp aan behoeftige personen. Bedelaars kwamen hiervoor niet in aanmerking, evenals de armen die steun kregen van de diaconie. Voorzitter is degene die het langst zitting heeft. Een nieuw lid wordt tegenwoordig gekozen uit de familiekring van de overleden broeder.

 

Sint Nicolaaskerk

De Sint Nicolaas of Nederlands Hervormde kerk staat op de zuidoosthoek van de Brug-es. Deze bakstenen, gotische, zaalkerk is gebouwd omstreeks 1410 op de plaats van een ouder kerkje uit de 12e eeuw. Het schip is éénbeukig en geeft aan de noordzijde toegang tot een aanbouw, de zogenaamde Sint Maartenskapel. Vanaf 1410 tot de reformatie (1598) stond hier het altaar van het Sint Maartenvicarie. De collator was de bezitter van het huis Entinge. Tussen 1640 en 1669 en van 1725 tot ca. 1777 was de kapel in eigendom van de heren van Batinge. Sindsdien behoort het toe aan de erfgenamen van de havezate Oldengaerde. Zij hebben er tevens een eigen herengestoelte, de z.g. “van Oldengaord’ns baank”. Omdat de kapel enige malen behoorde aan de heren van Batinge wordt hij in de volksmond ook wel genoemd naar deze havezate. Drie andere vicariealtaren in de kerk waren gewijd aan Onze-Lieve-Vrouwe (1382), Het Heilig Kruis en Sint Catharina, waarvan de laatste verbonden was aan de kosterij. De koster van Dwingeloo was tevens schoolmeester en vanaf 1665 ook organist.
Het versmalde overwelfde koor eindigt met een driezijde apsis. In het muurwerk aan de noordelijke buitenzijde bevinden zich nog restanten van een sacristie. De profiellijsten van de dichtgemetselde toegang waren nog tot 1924 nog aanwezig. Tegenwoordig verraadt alleen de kleur van de nieuwe bakstenen de plaats van de verdwenen deur. In het koor bevindt zich de grafkelder van het huis Batinge. Onder het gestoelte in de kapel ligt de begraafplaats van de familie Van Westerholt tot Entinge.

In 1923 trof een grote brand de kerk, alleen de muren bleven overeind. De bekende en markante ui-vormige torenspits uit 1631 ging hierbij ook verloren. Een iets minder ranke kopie kwam ervoor in de plaats en is tegenwoordig het baken van Dwingeloo. Het interieur bevat o.a. de preekstoel, vervaardigd door R. Marissen en J. Bakker, een grafzerk uit 1600 van Elisabeth van Echten, wapenstenen en portretten van het echtpaar Rutger van de Boetzelaer en Batina van Lohn. Oorspronkelijk waren de portretten gevat in de luiken van een orgel dat door dit echtpaar aan de kerk in 1665 werd geschonken.
Het tongewelf is beschilderd in art-deco stijl door de schilder J.K. Homan uit Smilde naar een ontwerp van L.A. Kortenhorst, tekenleraar te Assen. De binnenmuren zijn tijdens de restauratie 1923-’25 ontdaan van de witte bepleistering, waardoor het interieur nogal een sober karakter heeft gekregen

Back to Top